Sinds augustus 2022 is hard gewerkt aan een verplicht certificeringsstelsel voor de uitzendbranche, nu Wetsvoorstel Toelating Terbeschikkingstelling Arbeidskrachten (WTTA).

Op 10 oktober jl. ging het Wetsvoorstel Toelating Terbeschikkingstelling Arbeidskrachten, dat hierin – met enkele wijzigingen – voorziet, naar de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel heeft politiek draagvlak, want het onderwerp is niet controversieel verklaard. Het kabinet is demissionair, maar het voorstel kan gewoon worden behandeld in de Tweede Kamer. Minister Van Gennip is daar blij om, want ze vindt de regelgeving noodzakelijk en urgent.

Wat is het verschil tussen verplichte certificering en WTTA?
De Raad van State had bezwaar tegen het voorstel verplichte certificering dat uitging van een privaatrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan. Het bestuur wordt daarom in de WTTA anders ingericht. Het valt direct onder de verantwoordelijkheid van de minister van SZW met een adviestaak voor de brancheorganisaties en de vakbonden. Voor de ondernemer verandert er vrijwel niets aan het voorstel.

Noodzakelijk en urgent of ingewikkeld en risicovol?
Vanuit mijn ervaring met certificering in de uitzendsector zet ik kritische kanttekeningen bij het wetsvoorstel. Ik sta volledig achter de bedoeling, het aanpakken van malafiditeit in de uitzendsector, maar ik vraag me af of dat met dit wetsvoorstel gaat lukken.

De bedoeling, arbeidsuitbuiting en slechte huisvesting van arbeidsmigranten bestrijden, is in lijn met het advies van de Commissie Roemer. Deze problematiek speelt vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt in specifieke sectoren zoals Vlees, Logistiek, Bouw, Metaal en Agrarisch, waar laagbetaalde arbeid wordt gedaan. Arbeidsmigranten zijn daar zeer kwetsbaar. Deze risicogebieden zijn al in kaart gebracht en bestaande certificeringsinstellingen weten wat er speelt; waar ze op moeten letten.

“Het probleem is gebrekkige   verantwoordelijkheidsstelling van de opdrachtgever. Als al eerder effectieve controles had uitgevoerd, was deze regelgeving niet nodig geweest.”

In plaats van focus op de handhaving binnen de bovengenoemde specifieke risicovolle arbeidsterreinen, is in dit wetsvoorstel gekozen voor een verticale aanpak, dwars door alle sectoren en opleidingsniveaus heen. Ieder die arbeid ter beschikking stelt, moet zich laten certificeren. Een kostbare en ingewikkelde zaak, terwijl het risico op malafiditeit buiten de bekende risicoterreinen laag is. Is dit proportioneel? Nemen we als samenleving hiermee de juiste maatregelen?

In mijn ogen is het wetsvoorstel risicovol en onnodig ingewikkeld. Dat zou tot nadenken moeten stemmen in een tijd van arbeidskrapte. Voor al die certificeringen zijn immers inspecteurs nodig met de juiste kennis en kunde, en die zijn nu al schaars. Daarnaast staan misstanden in de uitzendsector niet op zichzelf; die zijn (mede) het gevolg van een bestaande vraag naar goedkope arbeid door inleners. Certificering kost het bedrijfsleven en de overheid veel geld. Het gaat naar schatting 143 mln euro kosten.

Ik zie het wetsvoorstel, zoals het nu is, als een te zwaar beladen schip waarvan je nu al weet dat het vastloopt.

“Inleners die op zoek zijn naar goedkope arbeid en cowboys die dat faciliteren. Voor hen is de contractvorm ondergeschikt. Loondienst of (schijn-)zzp maakt hen niet uit. Zij zoeken lage arbeidskosten. Als tba moeilijk wordt, stappen ze over naar (schijn-)zzp.”

Hoe kwam dit voorstel tot stand? Wat ging eraan vooraf? Welke extra lading is er bij gekomen?

Het toelatingsstelsel op hoofdlijnen
Het doel van het toelatingsstelsel is het aanpakken van misstanden door malafide uitleners op de arbeidsmarkt. Hiermee moet een gelijk speelveld voor de bonafide ondernemers bevorderd worden en arbeidskrachten moeten het loon krijgen waar ze recht op hebben. Om dit te bereiken wordt door het ministerie ingezet op een toelatingsstelsel.

Nog even wat het toelatingsstelsel inhoudt:

  1. Alle bedrijven die arbeidskrachten ter beschikking stellen (tba) moeten gecertificeerd zijn. Maar het gaat alleen om ter beschikking stelling. Dus uitzenden, detacheren en payrollen. Aanneming van werk en bemiddeling van zzp’ers valt er niet onder.
  2. Opdrachtgevers mogen alleen gebruikmaken van gecertificeerde uitleners. Dit geldt ook voor in het buitenland gevestigde uitleners.
  3. Uitleners moeten:
    a. Een verklaring omtrent het gedrag (VOG) hebben.
    b. Een bankgarantie stellen van €100.000,- (kan bij goed gedrag op termijn lager worden).
    c. Als van toepassing gecertificeerde huisvesting aanbieden. (Het SNF keurmerk)
    d. Als van toepassing VCA/VCU-certificaat hebben.
  4. Om het certificaat te behouden wordt periodiek gecontroleerd op het normenkader.

Het toelatingsstelsel moet ingaan op 1 januari 2026. Ondernemingen kunnen zich eerder aanmelden voor certificering. Dan kan het onderzoek later plaatsvinden. Te laat aanmelden kan betekenen dat een uitzendonderneming zijn “license to produce” verliest en zijn activiteiten moet staken.

Drie punten in de praktische uitvoering zijn van belang:

  1. De wet houdt de mogelijkheden open om “alle” bedrijven te beperken. Zo kan een bedrijf met een uitzendomzet van minder dan 10% van de loonsom met een maximum van €2,5 mio op aanvraag ontheffing krijgen.
  2. Uitgezonderd van de waarborgsom zijn uitleners die op tijdstip van inwerkingtreding van de wet reeds vier jaar arbeidskrachten hebben uitgezonden en een “schone verklaring betalingsgedrag” van de Belastingdienst kunnen overleggen.
  3. Ook is de instroom in het nieuwe stelsel voor bedrijven met een certificaat van de Stichting Normering Arbeid (SNA) vereenvoudigd; met het SNA certificaat kan toelating tot het nieuwe stelsel gevraagd worden. Dat maakt een toelatingsinspectie overbodig. Wel moet voldaan worden aan de hierboven onder 3 genoemde eisen.

De ontstaansgeschiedenis in grote lijn
We kampen al jaren met dit malafiditeitsprobleem. Welke eerdere oplossingen zijn bedacht?

  • Tot 1998 was er een vergunningenstelsel zonder controle. Dat werkte onvoldoende.
  • Vanaf 1998 tot 2006 was er geen vergunningenstelsel en was er onvoldoende controle. Dat werkte niet.
  • Vanaf 2006 is SNA actief; wel controle, maar dan zonder vergunningen. Dat werkt blijkbaar onvoldoende. In een volgend blog ga ik hierop in, nuanceer ik dit en licht ik het toe.

Het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten benoemt in zijn rapport van 30 oktober 2020 “Aanbevelingen om misstanden bij arbeidsmigranten in Nederland tegen te gaan” voornamelijk arbeidsmigranten die laag- of ongeschoolde arbeid verrichten. De belangrijkste aanbevelingen van het aanjaagteam zijn:

  1. Kom tot verplichte certificering voor uitzendbureaus en een boete voor inleners die werken met niet-gecertificeerde uitzendbureaus. Voorkomen moet worden dat malafide bestuurders een ander uitzendbureau beginnen middels een bestuursverbod.
  2. Verbeter de registratie van arbeidsmigranten, zodat bekend is waar arbeidsmigranten wonen.
  3. Verbeter de huisvesting voor arbeidsmigranten. Hiervoor is niet zomaar een oplossing voor aanwezig is.

“Voor alle ondernemingen die arbeid ter beschikking stellen wordt de lat hoger gelegd.
Er is geen enkele garantie dat daarmee malafide ondernemers worden uitgebannen.
Deze, mijn inschatting, 5% ban je niet uit door die 95% beter te controleren.”

De aanbevelingen in dit rapport worden door de SER en de Tweede Kamer omarmd.
De minister komt nu met nieuw “institutioneel beleid”, dat wil zeggen: er worden nieuwe instituties, processen en procedures gecreëerd die de hele sector raken. De belangrijkste motivatie hiervoor vormen de aanbevelingen van het aanjaagteam. Of de hardnekkige kleine groep malafide ondernemers hierdoor ook wordt geraakt, is niet duidelijk.

Andere arbeidsmarktproblematiek ook nog meegenomen
Het doel van de wet is dat uitzendbureaus al hun werknemers onder goede werk- en woonomstandigheden laten werken. Malafide uitleners ondermijnen de waardigheid van arbeidskrachten – in het bijzonder die van arbeidsmigranten – door de misstanden die plaatsvinden op het gebied van onderbetaling, huisvesting, alsmede gezond en veilig werken (citaat uit Kamerbrief Hoofdlijnen verplichte certificering bij ter beschikking stellen van arbeidskrachten, 5 juli 2023). Daarom moeten alle uitleners van personeel gaan voldoen aan een toelatingsstelsel, waarbij certificering is verplicht. Hiermee wordt de kwetsbare positie van arbeidsmigranten verbeterd en het speelveld voor alle uitleners gelijkgetrokken. Ook is er nog een wetsvoorstel gelijke kansen bij werving en selectie in de maak, die regelt dat uitleners een werkwijze moeten hanteren om arbeidsmarktdiscriminatie te voorkomen.

Het gaat in dit wetsvoorstel dus om een opstapeling van zaken:

  • Uitbannen van malafide ondernemers
  • Correcte beloning
  • Genormeerde huisvesting
  • Veilig werken
  • Tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie

Niet zo duidelijk in het wetsvoorstel benoemd, maar wel uit de aanpak af te leiden, zijn de volgende zaken:

  • SNA is niet effectief
  • Controle op correcte beloning moet beter worden dan het nu is.
  • De samenwerking tussen SNA, SNCU, BD en ISZW loopt blijkbaar onvoldoende soepel.

Ik merk hierbij op dat beloning is vastgelegd in CAO’s. Daar controleert NLA (Nederlandse Arbeidsinspectie) en SNA (Stichting Normering Arbeid) niet op. Dat is geregeld in de PayOK norm en de SNCU heeft hier een taak.

Merkwaardige gedachtegang
Al met al vind ik de opstapeling in dit wetsvoorstel getuigen van een merkwaardige gedachtegang.

Het begon met het Aanjaagteam (Commissie Roemer) dat constateerde dat misstanden bij arbeidsmigranten op gebied van beloning en huisvesting moeten worden tegengegaan. Het gaat dan met name om arbeidsmigranten die laag- of ongeschoolde arbeid verrichten. Dus het probleem beperkt zich tot een beperkte groep flexibele arbeiders in een beperkt aantal sectoren. Vervolgens leidt dit tot beleidsvoorstellen om de gehele sector aan te pakken. Europese gelijke behandelingsbepalingen maken blijkbaar zo’n enorm breed sleepnet nodig. Aanpak van gebrekkige huisvesting, een centraal probleem bij verbeteringen voor arbeidsmigranten valt hiermee buiten de boot. De SNF-huisvestingsnorm, die al bestond toen Roemer rapporteerde, is blijkbaar toch OK. Dan kan het wetsvoorstel ook nog wel regels bevatten over veiligheid en discriminatie, want daar was het ministerie van SWZ ‘ook mee bezig’. Vervolgens hebben we een mooi afgerond beleidspakket dat ter beschikking stelling van arbeid reguleert. Vergeef mij de ironie. Ik snap de politieke logica van deze gedachtegang. De praktische logica raakt echter kant noch wal.

Een andere kijkrichting
Als we misstanden aan de onderkant van de arbeidsmarkt willen tegengaan dan concludeer ik, net als de Raad van State, dat we in de volle breedte naar die onderkant moeten kijken. Dus ook naar de inzet van zzp’ers en naar contracting constructies. In plaats daarvan kiest de regering voor alle tba, dus ook detachering van ICT-ers, financiële controllers, juristen, enzovoort. Iedereen die dat werkveld kent, weet dat je daar dergelijke misstanden niet tegenkomt.

De focus is volledig en alleen op tba. En daarbinnen worden wel heel veel jassen op een kapstok gehangen; beloning, veiligheid, discriminatie, enzovoort. Ondertussen biedt dit geen enkele garantie dat de malafide ondernemers worden uitgebannen. Die 5% (mijn inschatting) ban je niet uit door 95% van de markt beter te controleren op van alles. Het niet hebben of het verliezen van de toelating (verliezen van het certificaat) betekent tegelijkertijd het einde van de uitzendonderneming en mogelijk ook een continuïteitsprobleem bij de inlener. Een groot risico. Goede voorbereiding is dus van groot belang.

In mijn volgende blog ga ik dieper in op de cijfers achter de Wet Toelating Terbeschikkingstelling Arbeidskrachten. Die tonen nog meer de disproportionaliteit van deze voorgenomen wetgeving aan.

Bron: www.flexnieuws.nl